Zeevaartschool Vlissingen

Posted on

Abba – Waterloo (1974-04-06).
Een hit toen de beslissing viel, niet naar de Koninklijke Marine maar naar de koopvaardij.

Voor mijn vader, Jef Pieters

Vanuit Maastricht naar zee. Hoe komt iemand er toe. Voor veel van mijn vrienden en kennissen nog steeds een groot vraagteken. Het was carnavalszondag 1974 toen ik de trein nam naar Hollandsche Rading met als bestemming het Marine Keuringscentrum. Ik wilde varen, ik wilde naar zee. Volgens mijn moeder al vanaf mijn tiende jaar. Waarom? Waren het de verre landen, de verre kusten, was het ‘t avontuur? Wat zeker een rol heeft gespeeld, was een pocketboek, gevonden op onze zolder, over het leven van Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Het was gemakkelijk te lezen en ik verslond het binnen een dag. De keuring duurde vijf dagen en van de carnaval heb ik dat jaar niets meer mee gekregen. Ik kwam terug, goedgekeurd en al en met de schriftelijke bevestiging aangenomen te zijn voor een opleiding tot torpedomaker indien ik zou slagen voor de mavo met voldoende cijfers voor wiskunde en natuurkunde. Moest geen probleem zijn, ik stond gemiddeld een acht voor wiskunde en een negen voor natuurkunde voor de tentamens. Mijn moeder kon de keus van torpedomaker niet echt waarderen. Met torpedo’s werden schepen naar de kelder gestuurd waarbij veel mensen waren omgekomen. Voor mij? Het was techniek en het leek mij een dienstvak waarin je, indien je technisch was, gemakkelijk carrière kon maken. Bij mij in de klas zat ook Ben. Ben wilde ook gaan varen. Hij wilde naar de zeevaartschool. Enkele dagen na mijn keuring bij de Koninklijke Marine, vroeg mijn klassenleraar dhr. Le Noir of ik na de les wilde nablijven. Hij was niet alleen mijn klassenleraar maar ook leraar Engels. Voordat hij bij ons op school kwam, was hij leraar Engels geweest op het Koninklijk Instituut Marine (KIM). Na de les vroeg hij waarom ik niet net als Ben naar de zeevaartschool ging. Ik had tenslotte goede cijfers voor wiskunde en natuurkunde en met doorleren zou ik binnen enkele jaren officier zijn. Dat was iets anders dan matroos of onderofficier bij de Koninklijke Marine. Mijn verweer was: ‘Ja maar, mijn Engels.’ Waarop hij antwoordde: ‘Daar ben ik je leraar Engels voor.’ Thuisgekomen werd een en ander met mijn ouders besproken. Ze vonden dat ik moest doen wat ik graag wilde dus werd er vervolgens informatie opgevraagd omtrent zeevaartonderwijs.

Opendag Zeevaartschool Vlissingen – April 1974.

Enkele dagen later had ik buiten enkele algemene brochures ook een boekje van de Hogere Zeevaartschool te Vlissingen. Deze school hield ook open dagen waarbij je als toekomstige leerling met je ouders een rondleiding kreeg op de school en het internaat ‘Onze Vloot’. De dag werd afgesloten op het internaat met een ‘blauwe hap’. De beslissing was snel genomen. In de brochures werden ook de mogelijkheden van studiefinanciering door verschillende rederijen aangegeven. De keus viel op de Koninklijke Java-China-Paketvaart Lijnen (KJCPL) maar deze maatschappij verstrekte vanaf dat jaar de studiebeurzen niet meer zelf. Dit was overgenomen door de Nederlandsche Scheepvaart Unie (NSU). Na het examen ging het met mijn ouders richting NSU in Rijswijk voor een gesprek. Met mijn eindresultaat voor wiskunde en natuurkunde mocht ik de tweejarige BS-opleiding gaan doen. Mijn Engels was een mager zesje, een zeven voor de tentamens en een vijf komma zes op het schriftelijke eindexamen. Maar voldoende. Een studiebeurs bleek ook geen probleem te zijn met de opmerking dat ze het niet vaak zagen dat bij wiskunde en natuurkunde de eindexamencijfers hoger waren dan het gemiddelde tentamencijfer. Het was overigens een van de laatste jaren dat je met een mavo-diploma werd toegelaten tot de tweejarige BS-opleiding, mits je ruime cijfers had voor wiskunde en natuurkunde. Het leverde mij wel voordelen op. Ik was verzekerd van een studiebeurs en ik had het vooruitzicht om na twee jaar te kunnen gaan varen. Toen ik uiteindelijk na twee jaar ging varen, had het nog een voordeel. Het was toen het laatste jaar dat de rederijen leerlingen aannamen, het jaar erop werden de afgestudeerden aangenomen als stagiaire. Wij kregen als leerling nog een redelijk salaris van 800 gulden met recht op betaalde overuren. Na ons gingen de stagiaires varen tegen zakgeld, ongeveer de helft van wat wij kregen, en geen recht op overuren.

Aansluitend aan het bezoek aan de NSU in Rijswijk werd een rondvaart gemaakt door de haven van Rotterdam.
Op de achtergrond de Nedlloyd Dejima.

De keuring bij de Koninklijke Marine kreeg nog wel een staartje. In het begeleidend schrijven van mijn tijdelijke aanstelling als matroos-torpedomaker stond dat indien ik niets van mij liet horen, men er van uitging dat ik afzag van een carrière bij de Koninklijke Marine. Aangezien het plan drastisch was veranderd en ik het begeleidend schrijven goed had gelezen, ging ik er van uit dat geen reactie van mijn kant voldoende was om af te zien van een loopbaan bij de Koninklijke Marine. Eind juni stond plotseling een wervingsofficier van de Koninklijke Marine voor de deur. Waar ik bleef? Toen ik vertelde dat de plannen gewijzigd waren, kon hij hier geen vrede mee hebben. De Koninklijke Marine had al veel geïnvesteerd in mijn toekomstige opleiding en carrière. Zo maar weg blijven, dat kon niet. Gelukkig vielen mijn ouders mij bij en vertrok na enige tijd de officier al mopperend. Hier zou ik spijt van krijgen. Hierop zei mijn vader dat ik nu zeker moest doorzetten. Later begreep ik dat hij desnoods, als ik geen studiebeurs van een reder had gekregen, een lening zou hebben afgesloten om mij naar de zeevaartschool te kunnen laten gaan.

Naar de zeevaartschool
In augustus 1974 ging ik vanuit Maastricht richting Vlissingen voor de opleiding tot stuurman G.H.V. Gezien de afstand tot Maastricht werd ik tijdelijk inwoner van de geboortestad van Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607-1676) waar ook de zeevaartschool naar was vernoemd. Gehuisvest werd ik die periode op het internaat ‘Onze Vloot’ aan de Van Hogendorpweg in de wijk Paauwenburg van Vlissingen. In huis 28. Als eerstejaars kwam ik terecht op de 4PK (4 persoonskamer), samen met drie lotgenoten. In huis 28 woonden o.a. drie leden van de wedstrijdploeg sloeproeien, de stuurman Wil, de slagroeier Caesar en een van de boegroeiers Kleine Willem, wel groter dan ik maar zo genoemd om onderscheid te maken met andere Wil(lem). Aangezien ik bij aankomst een iel manneke was, ongeveer 1.60 m lang en ongeveer 40 kg licht, besloten de leden van de roeiploeg van mij een kerel te maken. Een van de volgende weekenden was het zo ver. Ik mocht op zaterdag mee met de wedstrijdploeg, roeien van Vlissingen naar Middelburg. Ik werd geplaatst op een van de boegposities. En roeien maar. Wanneer de start van een wedstrijd werd beoefend mocht ik mijn riem stilhouden. Aangekomen in Middelburg werd afgemeerd en pauze gehouden. We gingen een winkelcentrum binnen om daar in een cafetaria iets te drinken en om taartjes te eten. Ik had moeite om het gebakje op te eten, zo trilde mijn hand van de inspanning. En toen nog terug naar Vlissingen. Toen ik na drie weken intern te zijn geweest voor de eerste keer een weekend naar mijn ouders ging, was ik zo’n acht kilo zwaarder en enkele centimeters breder in mijn schouders. Ook daarna werd nog veel geroeid, maar dan doordeweeks tijdens de lessen. Iedere woensdagochtend hadden we twee uur praktijk in het botenhuis aan het Kanaal door Walcheren van dhr. Dop: schiemannen, zeilen, wrikken en sloeproeien. Meestal gebeurde dit op het kanaal of ging het richting Koninklijke Maatschappij ‘De Schelde’ waar aankomst en vertrek werden beoefend. Na enige weken mocht je het al ervaren hoe het was om stuurman te zijn. ‘Op de slag’, ‘Wel geroeid’. Toen dhr. Dop een keer moest waarnemen terwijl wij bezig waren met zeevaartkundig cijferen, gaf hij ons de volgende wijsheid mee:

Met tafels voor zon en maan, vindt men de weg over de Oceaan.
Maar om meisjesharten te doorgronden, zijn nog geen tafels uitgevonden.

Het was stug doorleren die twee jaar met veertig lesuren per week van maandag tot en met vrijdag van half negen tot twaalf en van half twee tot vijf uur. Tussen de middag werd heen en weer gefietst naar het internaat om te eten. Om de drie weken werd door de school in het lesrooster rekening gehouden met het naar huis gaan van de leerlingen welke intern waren. Het ene weekend was de school uit op vrijdag om twaalf uur en begonnen de lessen weer op maandagochtend vroeg. Dit betekende terugreizen op zondagavond. Drie weken later had je les tot vrijdagmiddag vijf uur maar begonnen de lessen ‘s maandags weer om half twee. Van de interne leerlingen kwam zo’n tachtig procent uit Noord-Brabant en Limburg. Om de kosten te drukken reisden we met zes leerlingen afkomstig uit Zuid-Limburg op een meermanskaart van de NS.

s.s. Limburg – 1946.
Standaardschip – Type C3-S-A5
Volgens dhr. Karstanje, mijn leraar Zeemanschap, Scheepsbouw en Optisch Seinen, een fraai schip.
Tijdens zijn lessen zei hij vaak:

‘Schepen zijn niet mooi maar fraai. Vrouwen zijn mooi.’

Op het militaire af
Op het internaat zaten toen meer dan 400 leerlingen. Het internaat bestond uit gezinswoningen met onder andere een centrale kombuis, een bar en een sporthal. De sporthal werd niet alleen gebruikt voor het sporten maar ook voor het kerstbal, eindbal, de diploma-uitreiking en het appèl. In elk huis zaten negen tot tien leerlingen. Iedere ochtend was appèl in de sporthal. Per huis stond je in de rij, de huisoudste vooraan om eventuele zieken af te melden. Het appèl werd afgenomen door een van de officieren geassisteerd door de bootslieden die de ziekmeldingen opnamen. We liepen in uniform, niet alleen de officieren en bootslieden, maar ook alle leerlingen. De haardracht was in principe vrij maar de dagen voor het kerstbal en het eindbal stonden de directeur G.K. Brouwer of de adjunct-directeur A.C. de Kubber bij de ingang, boven aan de trap, regelmatig te controleren of het haar niet te lang of onverzorgd was. Op onze petten het embleem van de school of de vlag van een rederij, afhankelijk van het feit of je een studiebeurs had. Op mijn pet stond de NSU-wimpel. Bij de leerlingen zonder studiebeurs stond het symbool van de zeevaartschool, het schip de Zeven Provinciën van Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Het had ons namens de Vlissingse bevolking de bijnaam ‘blikken’ opgeleverd. Het ging er strikt aan toe, op het militaire af. Niet alleen het appèl of het uniform met de haardracht. Indien je intern was, had je van zondagavond tot en met donderdagavond verplicht studeren, van half acht tot negen uur en van kwart over negen tot half elf (met tussendoor koffie). Daarna was het opfrissen, omkleden en naar bed. Om elf uur moesten de lichten uit zijn. Een en ander werd gecontroleerd door de officieren en bootslieden. Afhankelijk van je cijfers kon je gedeeltelijk of geheel vrijstelling krijgen van het verplicht studeren. Ik was in de gelukkige omstandigheid dat ik die twee jaar vrijwel altijd een gedeeltelijke of gehele vrijstelling heb gehad. Niet dat ik er echt gebruik van heb gemaakt want ik wilde door. Sommige leerlingen hadden bijnamen. Zo hadden we bij ons in huis Caesar, wtk in opleiding en de slagroeier van de wedstijdploeg. Toen een keer zijn ouders op bezoek kwamen en vroegen naar Anton, moest iedereen toch even schakelen. We hadden toch geen Anton in huis? Het eerste jaar hadden we op de 4PK ook Ronald. Aanvankelijk werd elke keer gevraagd hoe hij heette: Donald, Roland, Rodald, etc. Het was waarschijnlijk een onderdeel van het ontgroenen. Na enkele dagen riep hij opeens kwaad: ‘Ik heet Ronald, met de N van Nico.’ met als reactie: ‘Oh, je heet Nico, zeg dat dan.’ De rest van zijn studie was het Nico.

Woonkamer Huis 28.
Bezoek uit Maastricht, mijn ouders en peettante (tante Mia).

In de weekenden dat je niet naar huis ging, mocht je vrijdagavond en zaterdagavond gaan stappen. Wel voor twaalf uur binnen zijn. Bij het verlaten van het internaat passeerde je de bootsmansloge, de Valreep. Hier ontving je je leerlingenpenning. Ik had nummer 246. Het was zaak om er voor te zorgen dat deze penning uiterlijk middernacht weer op het bord van de bootsmansloge hing. Het was op vrijdag en zaterdag rond middernacht dan ook altijd dringen rond de poort. Je kon eventueel ook avondpermissie aanvragen. Met redenen omkleed. Een goede reden was bijvoorbeeld een bezoek aan je gastouders. Dit waren mensen van Vlissingen en omstreken die leerlingen thuis ontvingen om hen toch een thuisgevoel te geven. Samen met Frans, tijdens het eerste jaar kamergenoot op de 4PK en studerend voor de driejarige BS opleiding, had ik Sjaak en Maria Meijer als gastouders. We gingen regelmatig bij hen op bezoek, soms om mee te eten, maar altijd voor enige uren gezelligheid. Zij woonden in Koudekerke, voor ons enkele kilometers fietsen. Bij het inboeken als eerstejaars kreeg je van school een monsterboekje. Hierin stond o.a. het reglement waaraan je je als leerling moest houden. Hierin werden ook je vrijstellingen voor studeren genoteerd maar ook je overtredingen en strafcorvees. Strafcorvee kon je krijgen bij spijbelen, over het hek klimmen of te laat binnen zijn. In huis had je corvee. Het huis moest natuurlijk worden schoongehouden. Achtereenvolgens moest je de slaapkamers schoon houden, de wc en douche, de woonkamer of de keuken. Bij het schoonhouden van de keuken hoorden ook het afwassen van de vaat en het ophalen van de gamellen met eten uit de kombuis. Bij het afwassen ging het wel eens mis. De aanleiding was soms minimaal. Het spetteren van water waardoor iemand wat water op zijn uniform kreeg. Je kreeg dan wat water terug. Vervolgens kreeg iemand een teil water over zich heen. Binnen de minuut was iedereen in huis nat. Belandde een van de huisgenoten tijdens het watergevecht buiten in de tuin, verrassing, in het huis ernaast stond toevallig ook iemand buiten, maar (nog) droog. Dat was natuurlijk zo verholpen. Nog geen kwartier later liepen 400 leerlingen achter die laatste leerling aan die nog een droog pak had. De was hoefden we niet mee naar huis te nemen. Was ook een beetje moeilijk met maar eens in de drie weken naar huis. Deze werd gedaan op het internaat waarbij de leerlingen van een rij huizen hun eigen wasdag hadden. Zomers werden de huizen verhuurd aan vakantiegasten, vooral Duitsers. Voor ons betekende dat poetsen. De laatste week van het schooljaar werd het huis van boven tot beneden gepoetst. En reken maar dat het schoon moest zijn. De officieren kwamen het controleren, het liefst met witte handschoenen. Alleen het laatste jaar wanneer je afstudeerde ging dit ritueel aan je voorbij.

Aan het eind van het eerste schooljaar mocht ik voor een vijfdaagse brandweercursus naar Rotterdam. Nedlloyd had deze cursus ingekocht bij de Rotterdamse brandweer. Eigenlijk was het nog een proefproject. Een cursus in deze vorm was nog niet standaard in het opleidingstraject. De zeevaartschool werd vriendelijk verzocht om een tiental leerlingen uit te zoeken die deze cursus konden volgen. Hierbij werd gekeken naar de studieresultaten want het was vlak voor de tentamens en examens om over te gaan naar het tweede schooljaar. Ik was een van de gelukkigen. Wij verbleven in het Zeemanshuis en reisden iedere dag met de tram naar het opleidingscentrum van de Rotterdamse brandweer. Het werd een hele ervaring. De lessen werden gevolgd in een lokaal van de kazerne. De praktijk was buiten. Op het terrein stond een gedeelte van een kustvaarder. Het was nog een hele kunst om een brandslang in een gangboord netjes vanuit de hand in een keer uit te rollen of om met een persluchtapparaat door een gedeelte van een dubbele bodem te kruipen. In sommige gedeelten moest je dan het apparaat van je rug halen, voor je uit door een mangat duwen en dan weer op je rug proberen te krijgen. Ook moesten we met perslucht door een ruimte een weg naar het vuur vinden om dit te blussen of om een uitweg naar buiten te zoeken.

Op een avond, vlak voor dat we op stap gingen, was op de TV een ‘Special’ van Volendamse popgroep The Cats.

‘s Avonds waren we vrij van dienst en cursus. Geen huiswerk. Enkele uren werden doorgebracht in het internationale gezelschap van het zeemanshuis maar ook werden Rotterdam en het uitgangsleven verkend. We vielen op dat moment niet onder het internaatregiem en hadden enige vrijheid. Die werd benut. Op vrijdag kregen we allen het certificaat uitgereikt.
Het nummer Sailing van Rod Stewart (september 1975), een hit toen ik studeerde aan de Hogere Zeevaartschool.Het herinnert mij aan mijn eerste zeereis aan boord van (het instructie vaartuig) m.s. Prinses Margriet, van 17 t/m 28 november 1975. De reis ging van Amsterdam naar Plymouth en terug.

In het tweede jaar volgde nog een twee weken durende vaaropleiding op m.s. Prinses Margriet waarbij we het weekend in Engeland lagen. We vertrokken met windkracht 11. Gelukkig had ik alleen de eerste dag last van zeeziekte. Maar toen ik in Engeland aan wal ging, kon ik me in eerste instantie niet aan de indruk onttrekken dat de kade op en neer ging.

Bij de valreep, afscheid van twee jaar internaat.

Na twee jaar werd mij op 19 juni 1976 het BS-diploma als stuurmansleerling bij de grote handelsvaart uitgereikt door mijn klassenleraar de heer G. Borghstijn.