Koninklijke Marine

Posted on

In the navyAls zeevarende was je vrijgesteld van je opkomstplicht voor militaire dienst, tenminste als je tot je zevenentwintigste bleef varen. Wel hadden de rederijen een verplichting aan de Koninklijke Marine. Zij moesten ieder jaar een aantal stuurlieden leveren die werden opgeleid tot Aspirant Reserve Officier Koninklijke Marine, kortweg ARO. Het aantal werd bepaald door de vlootomvang van de desbetreffende maatschappij. De diensttijd was 17 maanden. Gedurende die tijd bleef je op de ranglijst van de maatschappij staan en tevens werd je salaris eventueel aangevuld tot de gage welke je als stuurman genoot. Indien dat laatste tenminste nodig was. Ik ging er als ARO een paar honderd gulden op vooruit. Ik had bij Nedlloyd aangegeven dat ik best als reserve officier naar de Koninklijke Marine wilde, indien ik werd opgeroepen en goedgekeurd.

Opkomstdatum 16 maart 1981
We moesten opkomen in Hollandsche Rading en we waren met een groep van twaalf stuurlieden. Iedereen was in afwachting van wat zou komen. Na enkele uren wachten verscheen een Adjudant-onderofficier van de Koninklijke Marine. Zijn mededeling aan ons: ‘Heren, vanaf nu valt u onder de krijgstucht.’ Vervolgens kregen we opdracht om naar Den Helder te gaan, om ons te melden op het KIM, Koninklijk Instituut Marine. Waren we daarvoor naar Hollandsche Rading gekomen? Alleen daarvoor? Dan maar in colonne richting Den Helder. Iemand wist nog een goed Chinees restaurant en deed het voorstel om onderweg te gaan eten. Konden we gelijk met elkaar kennis maken. Hierdoor kwamen we wel pas om acht uur ’s avonds aan op het KIM. Iets wat ons niet in dank werd afgenomen. De Adelborst van dienst wees ons de legering, een grote slaapzaal met stapelbedden en stalen kasten en verstrekte ons de benodigde lakens en dekens.

Koninklijk Instituut Marine

Opleiding aan het Koninklijk Instituut Marine (KIM) – Twee dagen afzien.

Tijdens een half jaar kregen we alle benodigde opleidingen en trainingen. Eerst enkele maanden KIM. Tijdens de theorie kregen we o.a. te maken met de regels en gebruiken bij de Koninklijke Marine. Was toch anders dan bij de koopvaardij. Bij het opgeven van de koers aan de roerganger sprak je op de koopvaardij wel eens van een koers ‘drie-tien’ of ‘driehonderd en tien’. Bij de Koninklijke Marine moest dat ‘drie, een, nul’ zijn. Voor de matroos moest het duidelijk zijn, er mocht geen misverstand zijn wat je bedoelde. Ook het ankeren ging anders. Als je op de Koopvaardij op een reden voor anker ging, was de positie van tevoren wel bekend maar niet tot op de meter. Van belang was dat het schip veilig ten anker lag, dat het anker hield en dat het schip vrij bleef van andere schepen. Bij de marine werd de positie van het anker van tevoren bepaald. Ook indien je in verband voer, werden van de verschillende schepen de ankerposities van tevoren bepaald en door bijvoorbeeld de Flottielje-commandant doorgegeven. Je moest ten slotte ook ten anker liggend in verband blijven, bijvoorbeeld netjes op een lijn.

NBCD-school.

Onze klassenleraar was een LTZ1SD (Luitenant ter Zee 1ste klasse Speciale Diensten). Bij de Koninklijke Marine werd bij de beroepsofficieren toen nog onderscheid gemaakt tussen KIM en niet KIM opgeleidde. De niet KIM opgeleidde waren officier speciale diensten. Je herkende ze aan een groene bies tussen de gouden gallons op hun uniform. Sommige SD officieren deden moeite om KIM opgeleid te lijken waarbij een enkele zelfs een zwarte stift gebruikte om de groene bies te camoufleren. De rivaliteit tussen ons, een klas stuurlieden G.H.V., en de Adelborsten, leidde er toe dat we een keer een watergevecht hadden waarbij een gedeelte van het KIM blank kwam te staan.

Tijdens de KIM periode werd er nog een dertiende leerling aan onze klas toegevoegd. Charlotte. Zij was voorbestemd om de eerste vrouwelijke vlieger van de Marine Luchtvaart Dienst te worden. Ze voelde zich wel thuis bij ons. Er werd samen gestudeerd en samen gesport. Het douchen gebeurde natuurlijk apart. Volgens haar zeggen had zij er overigens geen bezwaar tegen om gezamenlijk te douchen. Wij wel. Voor het praktische gedeelte van onze opleiding, voor lessen exercitie en oefeningen, had onze klas een Sergeant-majoor van de Mariniers toegewezen gekregen. Exercitie was altijd veel lol, vooral als iemand van de klas het geheel moest commanderen. Al marcherend met het geheel richting een muur of een hek gebeurde het dan wel eens dat bij iemand het commando om het geheel op tijd tot stilstand te krijgen, niet te binnen wilde schieten. Met alle gevolgen van dien.

Ansicht uit Wilhelmshaven - donderdag 25 februari 1982.

Hr.Ms. Abcoude
Wilhelmshaven – donderdag 25 februari 1982.

Ansicht uit Sunderland - zaterdag 20 maart 1982.

Hr.Ms. Abcoude
Sunderland – zaterdag 20 maart 1982.

Ansicht uit La Rochelle - zaterdag 29 mei 1982.

Hr.Ms. Abcoude
La Rochelle – zaterdag 29 mei 1982.

La Rochelle - 30 mei 1982.

Hr.Ms. Abcoude
Wandeling in La Rochelle – zondag 30 mei 1982.

Ook moesten we leren afzien, onze grenzen leren verleggen. Hiertoe werd een tweedaagse oefening ingelast. Op dag een ging het marcherend tot buiten Den Helder. Daar lag bij een vesting een dingy. Met de hele klas in de dingy en peddelen maar. Het duurde niet lang of de eersten hadden de blaren in hun handen. Dit was iets anders dan sloeproeien. Vanuit Den Helder ging het door een stukje Noordhollands-kanaal en het Balgzand-kanaal naar het Amstelmeer. Een heel eind. Bij het Amstelmeer moesten we aan teambuilding doen. Een vlot bouwen om droog aan de overkant te komen. Helaas, Menno viel in het water. Na een smakelijk avondeten, opgevoerd in gamellen, mochten we enkele uren gaan voorslapen. Rond middernacht werden we gewekt door onze marinier. Na een korte rit met een legertruck werd het marcheren via opgegeven coördinaten. Veertig kilometer later stonden we ‘s ochtends in de duinen bij een bunker. Hier kregen we een gasmaskerdrill. Daarna mochten we nog zo’n tien kilometer marcheren richting Den Helder, richting KIM waar bijna iedereen gelijk richting ziekenboeg kon om zijn blaren te laten prikken. Schuld aan de blaren waren niet alleen onze ongeoefendheid maar ook het feit dat we het die twee dagen met geleende kistjes moesten doen aan onze voeten. De Koninklijke Marine versterkte ons voor de korte periode geen eigen nieuwe kistjes. Dat was te duur. We moesten het doen met tweedehands kistjes, al gedragen door Adelborsten en meerdere van onze voorgangers.

Op de Operationele school kregen we een training in konvooi varen (Zeeverkeer), vervolgens drie weken NBCD-training (Nuclear, Biologic, Chemical & Damage) op de NBCD-school van de Koninklijke Marine waarbij je alles kreeg geleerd om je schip te beschermen tegen allerlei aanvallen, branden aan boord en averij, en tot slot een drie weken durende opleiding op de Mijnenschool te Oostende. Een binationale school België – Nederland. Daar was het leven pas goed. Tussen de middag warm eten met een wijntje er bij. Met vooraf enkele Belgische bieren en je kon er zeker van zijn dat ‘s middags tijdens de les iemand in slaap viel. En niet alleen de leerlingen. Op een middag viel bijna onze Nederlandse instructeur staand achter de lessenaar in slaap. De cursus werd afgesloten met een vaart buitengaats op een Inshore-mijnenveger van de Belgische Marine. Tot onze verbazing, alhoewel, kwam rond het middaguur, voor de lunch, een doos met bier op de brug. Of we ook zin hadden in een pintje?

Hr. Ms. Veere

Hr.Ms. Veere
Grimsby – zaterdag 22 januari 1983.

Hr. Ms. Veere

Hr.Ms. Veere
Oostende – maandag 21 februari t/m donderdagmorgen 24 februari 1983.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
Foto gemaakt bij het aanlopen van Chatham.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
London – zaterdagmiddag 26 februari 1983.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
Great Yarmouth – zaterdagavond 5 maart 1983.

Na al deze opleidingen ging ik naar de Mijnendienst. Een wereld apart ten opzichte van de ‘grote’ schepen van de Koninklijke Marine. Veel ex-koopvaardij personeel wat was blijven hangen na hun dienverplichting als ARO. Tijdens de resterende tijd van mijn zeventien maanden diende ik als Jongste Officier op de mijnenvegers Hr. Ms. Sittard (alleen op de werf gelegen) en Hr. Ms. Abcoude. Het beviel wel, het salaris was goed, beter dan bij de koopvaardij, de Koninklijke Marine had tekort aan personeel en toen ik na zeventien maanden door de personeelsofficier van de Mijnendienst werd benaderd of ik wilde bijtekenen, was het antwoord een handtekening onder een KVV contract (Kort Verband Vrijwilliger). Getekend werd voor zes jaar. Aangezien mijn tijd als ARO meetelde voor mijn vaartijd bij Nedlloyd, maakte ik tijdens mijn diensttijd ook mijn vier jaar dienverplichting voor Nedlloyd vol. Ik nam pas ontslag bij het tekenen van mijn KVV-contract en hoefde van mijn studiebeurs dus niets terug te betalen.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
Tot ontploffing brengen van GC-zeemijn.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
Honfleur (Calvados) – poststempel 24 mei 1983.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
Dundee – zondagmiddag 27 november 1983.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Veere
Bremen – 21 januari 1984.

Na Hr. Ms. Abcoude werd ik Mijnenjacht Officier op Hr. Ms. Veere. Voor dat ik mijn carrière een nieuwe wending gaf, was ik Oudste Officier op Hr. Ms. Scheveningen, een mijnenjager van kunststof. Alle voorgaande mijnenvegers en mijnenjagers waren schepen van hout en wij als bemanning van…

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Scheveningen.
Afbouw op de scheepswerf en proefvaart.
Op 18 juli 1984 indienststelling.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Scheveningen
Brunsbüttel (Schleswig-Holstein) – zaterdag 26 mei 1984.

Hr. Ms. Veere

Hr. Ms. Scheveningen
Saint-Malo – 4 juni 1984.