KLIMAAT – CLASSIFICATIE

Posted on

INLEIDING

Het klimaat van een gebied wordt bepaald door de verschillende meteorologische variabelen, zoals temperatuur, neerslag hoeveelheid, wind enz. Het is niet mogelijk de verschillende klimaten scherp te scheiden. In het algemeen bestaat een geleidelijke overgang van het ene naar het aangrenzende klimaat. Toch is het mogelijk op grond van bepaalde criteria tot een klimaatindeling te komen. Veel van de bestaande classificaties gaan daarbij niet uit van de fysieke eigenschappen van de atmosfeer, maar leggen criteria bij biologische kenmerken bijv. planten- of bomengroei. Ook kunnen eigenschappen van het aardoppervlak bij de klimaat-classificatie in aanmerking worden genomen. Het vaststellen van criteria is afhankelijk van het doel, waarvoor de indeling wordt gemaakt. Men kan bijv. het klimaat classificeren op grond van geschiktheid voor bepaalde gewassen, bewoonbaarheid, beperkingen voor de luchtvaart, enz.

GEOGRAFISCHE INDELING

Het klimaat wordt dikwijls ingedeeld op grond van de geografie, waardoor men bijvoorbeeld de volgende typen kan onderscheiden:

Zeeklimaat. Gekenmerkt door een regenrijke winter, een geringe dagelijkse- en jaarlijkse gang van de temperatuur, grote vochtigheid en gemiddeld grote bedekkingsgraad.

Landklimaat. De grootste hoeveelheid van de neerslag valt in de zomer. De dagelijkse- en jaarlijkse gang van de temperatuur is vrij groot.

Moessonklimaat. Dit wordt bepaald door het overheersen van maritieme luchtsoorten in de zomer en continentale luchtsoorten in de winter.

Andere klimaatindelingen houden verband met de plantengroei. Dit is begrijpelijk, aangezien het klimaat de plantengroei bepaalt; hierdoor kunnen bepaalde karakteristieke planten als kenmerk dienen voor het klimaat. Voorts is de vegetatie van het grootste economische belang. Op een dergelijke indeling heeft Köppen voortgebouwd bij het samenstellen van een vrij algemeen toegepaste klimaatclassificatie. Hij koos de temperatuur en de neerslag als de twee principiële elementen voor classificaties; in de eerste plaats omdat deze in belangrijke mate bepalend zijn voor de plantengroei en verder omdat de waarnemingen van deze elementen over een lange periode vrij volledig zijn. Weliswaar zijn bijvoorbeeld verdamping en straling ook belangrijk, maar meting van deze grootheden stuit op veel moeilijkheden.

KLIMAATINDELING VOLGENS KÖPPEN-GEIGER

Deze klimaatindeling is opgezet door Vladimir Köppen ((Russisch/Duitser) en verfijnt door de Klimatoloog Rudolf Geiger (Duitser).

HOOFDINDELING

Köppen gaat uit van een zonale verdeling, gebaseerd op de verdeling van de gemiddelde temperatuur. Aldus onderscheidt hij een tropische-, een gematigde- en een arctische zone. Aan deze drie gordels heeft hij nog toegevoegd een zone die gekenmerkt wordt door de geringe hoeveelheid neerslag en een zone met extreem koude winters, waar echter dank zij de warme zomers nog bomengroei voorkomt. Men verkrijgt op deze wijze vijf klimaten, die door Köppen met hoofdletters worden aangeduid. De genoemde klimaten zijn door Köppen nog onderverdeeld, voornamelijk op grond van de neerslag verdeling over het jaar. Voor de vegetatie is het optreden van een droge periode van groot belang. Deze kan optreden in de winter (w), in de zomer (s) of ze ontbreekt geheel (f).

Nadere omschrijving van de klimaattypen.

A-KLIMATEN

Deze worden gekenmerkt door grote warmte gedurende het gehele jaar. De gemiddelde jaartemperatuur ligt tussen 24 en 300 C. De neerslag valt hoofdzakelijk in de vorm van buien. Ten gevolge van orografische effecten kunnen plaatselijk zware regens voorkomen. In het algemeen bedraagt de jaarsom meer dan 650 mm. Voorbeelden van tropische klimaten zijn:

 

B-KLIMATEN

Deze klimaten zijn zeer droog. De vegetatie bestaat vrijwel uitsluitend uit cactussen. De geringe neerslag hoeveelheid valt meestal in korte tijd. De temperatuur is soms hoger dan 400 C. Voorbeelden van droge klimaten zijn:

 

C-KLIMATEN

Deze komen voor in gebieden waar veel depressie-activiteit heerst. De belangrijkste kenmerken van het gematigd maritieme klimaat zijn de vrij grote jaarlijkse neerslag sommen en de tamelijk zachte winters. Tot de C klimaten behoren:

 

D-KLIMATEN

Deze komen uitsluitend voor op de grote continenten van het Noordelijk halfrond tussen 400 en 800 breedte. Het continentale klimaat wordt aangetroffen in de brongebieden van cPl. De jaarlijkse gang van de temperatuur bedraagt minstens 130 C. Zomerdroogte (type Ds) komt in dit klimaat niet voor, t.g.v. de aanwezigheid van een thermisch lagedrukgebied. Men kan onderscheiden:

 

E-KLIMATEN

De komen voor in de brongebieden van arctische lucht. De temperaturen in deze klimaten zijn zo laag, dat er geen bomen kunnen groeien. Tot het poolklimaat behoren:

 

Figuur 01: Klimaatindeling volgens Köppen-Geiger - Wereldkaart.

Figuur 01:
Köppen-Geiger – Wereldkaart.

Figuur 02: Klimaatindeling volgens Köppen-Geiger - Legenda.

Figuur 02:
Köppen-Geiger – Legenda.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nederland heeft een Cfb – Klimaat, een gematigd of koel zeeklimaat.

Dit betekent:
– beïnvloed door de nabijheid van de zee;
– neerslag (vrijwel) het hele jaar door;
– droogste maand van het jaar gemiddeld > 30 mm;
– warmste maand < 22°C;
– Noordzeewater temperatuur in koudste maand > 5°C (maart).

Zoals te zien in figuur 03, komt dit klimaat ook elders voor.

Figuur 03: Cfb - Klimaat.

Figuur 03:
Cfb – Klimaat.