AFRIKAANSE MOESSON

Posted on

De moessoncirculatie boven Afrika verschilt op twee manieren van die boven Azië. Ten eerste is de omvang ervan veel kleiner, niet alleen wat betreft de gebieden die een moesson kennen, maar ook de dikte van de atmosferische laag die erbij betrokken is. Ten tweede zijn er bij de Afrikaanse moesson geen polaire luchtmassa’s betrokken, waardoor het verschil in winter- en zomermoesson veel kleiner is dan in Azië. De belangrijkste reden voor de kleine omvang van de moesson in Afrika is de kleine noordzuid verschuiving van de algemene circulatie: 15° in West Afrika en 30° in Oost Afrika (ongeveer 40° in Azië). De Afrikaanse moesson is beperkt tot een laag die meestal niet boven de 5000 m. uit komt. Het belangrijkste kenmerk in Afrika is dat de moessoncirculatie twee geheel verschillende delen heeft, gekoppeld aan twee helften van het continent: West Afrika en Oost Afrika. De oorzaak hiervan is gelegen in de vorm van het continent. In het westen ligt een groot deel van het continent ten noorden van de evenaar, terwijl ten zuiden ervan alleen een (koude) oceaan aanwezig is, in het oosten is de verdeling van het continent ten zuiden en noorden van de evenaar vrijwel gelijk. Verder heeft het oosten een uitgestrekt in noordzuid liggend hoogland (> 1000 m.).

WEST-AFRIKA

In DJF ligt West Afrika grotendeels onder invloed van de NO passaat, en ligt de ITCZ ver naar het zuiden in de buurt van de evenaar (figuur 6.14). De NO passaat, welke tot een hoogte van ongeveer 3000 m. reikt, voert droge en stabiele luchtmassa’s aan, die afkomstig zijn van de Sahara. Daardoor wordt er vaak stof en fijn zand meegenomen, soms in de vorm van een stofstorm (de Harmattan). Met uitzondering van een smalle kuststrook is dit voor West Afrika de droge tijd.

Figuur 02:

FFiguur 01:
Stromingspatronen boven West-Afrika en neerslag hoeveelheden.

Figuur 03:

FFiguur 02:
De locatie van de ITCZ en dwarsdoorsnede van de ITCZ tijdens de ZW-moesson.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In JJA zijn de temperaturen boven het continent hoog opgelopen en er heeft zich op ongeveer 20°NB een thermisch lagedrukgebied gevormd (een uitloper van de moesson trog boven India en de Arabische Zee. Hierdoor is de ITCZ geleidelijk noordwaarts verplaatst naar ongeveer 15°NB. Hierdoor kunnen ZW winden vanuit de Atlantische Oceaan ver het continent binnendringen: de moesson. De bijbehorende luchtmassa’s zijn warm en vochtig. De meeste regen valt echter niet bij de ITCZ, maar wel op plaatsen die veel verder naar het zuiden liggen. Dit wordt veroorzaakt door de luchtmassa’s van de nog aanwezige NO passaat die aanmerkelijk heter zijn dan die van de ZW-moesson. De luchtmassa’s van de ZW-moesson dringen onder de hete continentale luchtmassa’s door. Hierdoor krijgt het vlak van de ITCZ een scherpe hellingshoek en blijft de ITCZ op 500 hPa in de buurt van de evenaar liggen. Alleen op die plaatsen ten zuiden van de ITCZ, waar de moessonlaag voldoende dikte heeft, kan er convectieve bewolking ontstaan die dik genoeg is om neerslag te produceren (figuur 02).

OOST-AFRIKA

In Oost Afrika is de landmassa ten noorden en zuiden van de evenaar vrijwel gelijk. Hierdoor is de jaarlijkse verplaatsing van de ITCZ veel groter dan in West Afrika. In januari ligt de ITCZ rond de 15°ZB en heersen in grote delen van Oost Afrika NO winden, die ten zuiden van de evenaar NW worden (figuur 6.14). Deze droge continentale winden produceren geen neerslag, een feit dat nog wordt versterkt door de overal aanwezige divergentie. Alleen in nabijheid van de convergentie zones valt nog neerslag. Naast de ITCZ is er in het zuiden van Oost Afrika nog een convergentie zone op de plaats waar de ZO winden van de Indische Oceaan en de W tot NW winden van de Atlantische Oceaan elkaar ontmoeten, de Congo Air Boundary (figuur 03).

Figuur 03:

Figuur 03:
Ligging van de ITCZ in DJF en de CAB (Congo Air Boundary) Uit: Nieuwolt, 1977.

Figuur 04:

Figuur 04:
De jaarlijkse gang van de neerslag verdeling langs de 32°OL.
Stippellijn: locatie van de zon (Uit: Nieuwolt, 1977).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In juli ligt de ITCZ op ongeveer 15°NB en heersen er ZO winden in het zuiden, en ZW winden in het noorden. Er valt weinig neerslag doordat er vaak sprake is van continentale luchtmassa’s afkomstig uit het hogedrukgebied in Zuid-Afrika (een uitloper van het hogedrukge­bied ten oosten van Madagaskar). Zelfs de luchtmassa’s die met ZO winden uit de Indische Oceaan worden aangevoerd, zijn relatief droog, omdat ze voor een groot deel zijn uitgeregend boven de oostkant van het bergmassief van Madagaskar. Beide moessons in Oost Afrika zijn dus relatief droog en regen valt er voornamelijk in de tussenliggende seizoenen wanneer de ITCZ overtrekt op weg naar het zuiden of noorden. Net als in West Afrika is de moessonstroming beperkt tot ongeveer het 500 hPa niveau.